Leven gelukkige mensen langer?

Geplaatst op 1 november 2011

Kan geluk de sleutel zijn tot een lang, of tenminste een langer leven? Dat zou best wel eens kunnen, stellen onderzoekers.

Een studie in het Verenigd Koninkrijk toont aan dat mensen, die zich gelukkig voelden – zelfs als was dat maar voor een korte tijd – een geringere overlijdenskans hadden gedurende een periode van vijf jaar. En hoe gelukkiger ze waren, hoe hoger de leeftijd was die ze bereikten.

Over het algemeen genomen lieten de resultaten zien dat mensen die zich het gelukkigst voelden 35 procent minder kans hadden om, gedurende de tijd dat het onderzoek liep, te komen overlijden dan mensen die zich het ongelukkigst voelden.

In het onderzoek werden meer dan 3800 mensen in de leeftijd tussen 52 en 79 jaar gevolgd gedurende een periode van vijf jaar. Dit was een onderdeel van het langste Britse onderzoek naar de effecten van het ouder worden.

Voorgaande studies hebben zich gericht op geluk en levensduur door mensen te onderzoeken op hun emotionele gesteldheid.
In deze studie echter werd mensen gevraagd een score toe te kennen aan hun gevoel van geluk of angst op verschillende momenten gedurende de dag, met de bovenvermelde resultaten.

Negatieve emoties zoals angst leken evenwel geen relatie te hebben met de levensduur.

De onderzoekers waarschuwen dat de resultaten geen oorzaak-gevolg relatie laten zien tussen geluk en een langer leven. Ze stellen daarentegen dat mogelijkerwijs momenten van geluk biologische processen of andere gedragscomponenten kunnen beïnvloeden, die de kansen op een langere levensduur zouden kunnen verklaren.

Duidelijk is wel dat de resultaten van deze studie het belang van emotioneel welbevinden bij ouderen onderstrepen.

De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences.

Bron
www.webmd.com

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Maagzuurremmers (antacida) verhogen kans op dood door infecties

Geplaatst op 26 oktober 2011

Maagzuur kan veel mensen last bezorgen, maar van de andere kant dient het ook een belangrijk doel: het verhindert het ontstaan van infecties. Een nieuwe studie toont dat medicijnen die de vorming van maagzuur remmen mensen meer vatbaar kan maken voor infecties van het maag-darmkanaal, en daarmee ook het risico om daaraan te overlijden.

In het onderzoek werden in het ziekenhuis opgenomen patiënten bestudeerd die waren geïnfecteerd met de resistente bacterie Clostridium difficile, die berucht is vanwege het veroorzaken van diarree bij besmette patiënten en verantwoordelijk voor meer sterfgevallen (in de Verenigde Staten) dan alle andere darminfecties bij elkaar.

In het onderzoek hadden patiënten, die onlangs maagzuurremmers hadden gebruikt, bijna vijfmaal zo veel kans om te overlijden aan een Clostridium difficile infectie dan patiënten die deze medicijnen niet hadden gebruikt.

In voorgaande studies was wel een link gelegd tussen het gebruik van maagzuurremmers en een verhoogde kans op besmetting met de Clostridium difficile bacterie, maar dit is de eerste studie die een verband heeft gevonden tussen het gebruik van deze antacida en een verhoogde mortaliteitskans.

In de studie werden 485 patienten opgenomen met C. difficile infecties. Bijna de helft van de patienten had een maagzuurremmer voorgeschreven gekregen, meestal een protonpomp remmer (PPI) zoals omeprazol, pantaprazol, esomeprazol e.d., of een histamine-2 antagonist, zoals Tagamet en Zantac.

Tijdens de studie overleden 23 patiënten aan een C. difficile infectie; 19 van hen hadden maagzuurremmers gebruikt gedurende 3 maanden voorafgaand aan hun ziekenhuisopname. Het gebruik van maagzuurremmers werd tevens geassocieerd met een verhoogde kans op andere complicaties, die opname op de Intensive Care of een operatie noodzakelijk maakten, of leidden tot een abnormale vergrootte dikke darm.

De gevolgen van het deactiveren van de aanmaak van maagzuur
Maagzuur is erg belangrijk als afweermechanisme tegen pathogene (ziekmakende) micro-organismen. Ze worden er door geëlimineerd. Het is dus van belang dat artsen en patiënten gewezen worden op de potentiële consequenties van het gebruik van maagzuurremmers.

Mensen, die er mee besmet zijn, hebben de Clostridium difficile bacterie in hun ontlasting in de vorm van endosporen. Deze kunnen zich in die vorm niet reproduceren, maar zijn wel schier onuitroeibaar. Ze kunnen overleven zonder vocht en trekken zich niets aan van ontsmettingsmiddelen zoals handalcohol. De endosporen kunnen op den duur overal voorkomen, en daardoor ook op de handen van iemand en uiteindelijk bij iemand in de mond belanden, waar deze bacterie zich weer transformeert tot een vorm die zich wel kan reproduceren.

In tegenstelling tot de endosporen is deze vorm wel kwetsbaar en kan gemakkelijk vernietigd worden door maagzuur. Maar als het milieu in de maag te weinig zuur is, kan de Clostridium difficile bacterie ongehinderd de darmen invaderen en daar een dodelijke infectie veroorzaken.

Het gebruik van PPI’s kan, naast de C. difficile, ook andere darminfecties faciliteren, zoals Salmonella, Campylobacter, Vibrios (inclusief cholera) en Listeria — alle belangrijke oorzaken van voedselvergiftigingen.

Het mag duidelijk zijn dat een ongelimiteerd gebruik van dit soort maagzuurremmers ongewenst is, en er zal per geval een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt of het nut van het gebruik van een PPI bij een patiënt opweegt tegen de potentiële nadelen ervan.

Bron
myhealthnewsdaily.com

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

De rest van je leven ziek door antibiotica?

Geplaatst op 18 oktober 2011

Antibiotica kunnen je gezonde darmflora voorgoed decimeren, waardoor je levenslang klachten blijft houden.

Het veelvuldig voorschrijven en gebruik van antibiotica kunnen, zoals bekend, leiden tot het ontstaan van multiresistente micro-organismen. Daarnaast treden vaak darmklachten en andere gezondheidsproblemen op, veroorzaakt door de eliminatie van de gezonde darmflora. Een nieuwe studie, gepubliceerd in het tijdschrift Nature, suggereert dat deze verandering in de darmflora wel een permanent zou kunnen zijn.

Professor Martin Blaser van het Langone Medical Center van de universiteit van New York heeft de lange termijn effecten van antibiotica op de darmflora onderzocht. Bekend was al dat het gebruik van antibiotica de nuttige bacteriën uit het darmstelsel verdrijft. Maar zijn onderzoek lijkt ook de mogelijkheid te bevestigen dat deze verstoring van het evenwicht in het darmstelsel, althans bij een aantal personen, wel eens onomkeerbaar zou kunnen zijn, waardoor er voor de rest van het leven ernstige gezondheidsproblemen zullen optreden.

Nu zijn er in zijn onderzoek reeds aanwijzingen en bewijzen opgedoken dat in een aantal gevallen de gezonde darmflora zich niet meer herstelt. Deze langdurige veranderingen ten nadele van de nuttige bacteriën in het lichaam kan onze gevoeligheid voor infecties en andere ziekten vergroten. Het veelvuldig gebruik van antibiotica kan de dramatische stijging verklaren van aandoeningen zoals overgewicht en obesitas, diabetes type I, darmontstekingen, allergieën en voedselintoleranties en astma.

Blaser stelt voor, zelfs in dit vroegtijdig stadium, restricties in te stellen met betrekking tot het voorschrijven van antibiotica aan kinderen en zwangere vrouwen, waardoor de kans dat iedere volgende generatie het moet stellen met een meer inferieure kwaliteit van de darmflora dan de voorafgaande generatie.

Indien antibiotica inderdaad verantwoordelijk zijn voor een permanente onbalans van de darmflora bij sommigen, dan kan het noodzakelijk zijn om deze personen levenslang probiotica voor te schrijven om een normale, gezonde balans te behouden.

Volgens professor Blaser is nu de tijd gekomen om het voorschrijven van antibiotica – in het bijzonder aan kinderen en zwamngere vrouwen – drastisch in te perken. Dit is de eerste prioriteit. Daarnaast is het van
belang om het toedienen van groeihormonen en antibiotica aan vee te minimaliseren, en ingeval het gebruik van antibiotica niet tot doel heeft ziekten bij het vee te bestrijden, te verbieden. Momenteel komen veel groeihormonen en antibiotica op deze wijze de voedselketen in, en dat kan niet de bedoeling zijn.

NB: in Nederland speelt dit probleem niet zo omdat het voorschrijven van antibiotica aan mensen over het algemeen veel minder gebeurt dan elders.

Bron
naturalnews.com/

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Meer risico op hoge bloeddruk bij tienermeisjes met obesitas

Geplaatst op 15 oktober 2011

Hoewel obesitas (ernstig overgewicht) voor jongens noch meisjes goed is, heeft het bij meisjes een grotere invloed op de bloeddruk dan bij jongens. Dit is de uitkomst van een studie uitgevoerd aan de universiteit van Californië in Merced.

In deze studie onder 1700 jeugdigen, tussen de 13 en 17 jaar oud, bleken obese jongens 3,5 maal zo grote kans te hebben op de ontwikkeling van een verhoogde systolische (bovendruk) bloeddruk dan jongens met een normaal gewicht. Bij meisjes was dat verschil veel groter, obese meisjes hadden een 9 maal zo grote kans op de ontwikkeling van een verhoogde systolische bloeddruk.

De systolische bloeddruk is de de druk die het bloed uitoefent op de arteriële vaatwanden als het hart het bloed uitdrijft tijdens een hartslag. Hoge systolische bloeddrukken vormen een risicofactor voor het ontstaan van hartziekten en beroertes.

Tijdens de studie kwam naar voren dat de de gemiddelde BMI (body-mass index; de verhouding tussen lengte en gewicht, hoe hoger het getal, hoe meer overgewicht) bij de tieners – zowel jongens als meisjes – in belangrijke mate overeenkwam met de hoogte van de systolische bloeddruk.

Een kansberekening wees uit dat obese jongens 2 tot 3,5 maal meer risico liepen om een lichte of ernstig verhoogde systolische bloeddruk te ontwikkelen dan jongens met een normaal gewicht. Obese meisjes hadden 4 tot 9 maal meer kans op een lichte of ernstig verhoogde systolische bloeddruk dan meisjes met een normaal gewicht.

De reden waarom overgewicht bij meisjes de bloeddruk sterker beïnvloedt dan bij jongens zou wel eens gelegen kunnen zijn in het feit dat in de onderzochte populatie meisjes met een ernstig overgewicht 50 tot 60 procent minder lichamelijke activiteiten ontwikkelden dan obese jongens.

Bron
medindia.net

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Niet gevaccineerde kinderen veel minder vaak allergisch en ziek

Geplaatst op 13 oktober 2011

Over het algemeen heerst de overtuiging dat vaccinaties een belangrijke bijdrage leveren aan de volksgezondheid en dat mensen hierdoor minder vatbaar zijn geworden voor ernstige aandoeningen. Een nieuw onderzoek door VaccineInjury.info maakt korte metten met deze overtuiging door aan te tonen dat niet-gevaccineerde kinderen veel minder vaak getroffen worden door allergieën, auto-immuun ziekten, neurologische problemen, endocriene aandoeningen en andere ziekten dan kinderen die wel gevaccineerd zijn.

De Duitse homeopaat Andreas Bachmair verzamelde gegevens van meer dan 8000 niet-gevaccineerde kinderen uit tenminste 15 verschillende landen en vergeleek deze met de gezondheidsgegevens van ruim 17.400 gevaccineerde kinderen die hadden geparticipeerd in een Duitse studie met de naam KiGGS – een Duits onderzoeksprogramma naar de gezondheid van kinderen en adolescenten.

De kinderen uit beide studies varieerden in leeftijd tussen de 0 en 17 jaar, maar de meeste kinderen in de studie naar niet-gevaccineerden waren 8 jaar oud of jonger. Beide studies gebruikten echter dezelfde criteria met betrekking tot de verzameling van gegevens over de gezondheid van de kinderen, en beide studies zijn betrouwbaar gebleken.

In elke gezondheidscategorie was de algemene gezondheid van de niet-gevaccineerde kinderen veel beter dan die van de gevaccineerde kinderen. Allergieën kwamen bij gevaccineerde kinderen bijvoorbeeld tweemaal zoveel voor als bij niet-gevaccineerde kinderen. Erger nog; gevaccineerde kinderen liepen bijna 8 maal zoveel kans op de ontwikkeling van astma of chronische bronchitis als niet-gevaccineerde kinderen.

Een ander dramatisch verschil tussen de twee groepen werd waargenomen in de categorie van auto-immuunziekten. Terwijl minder dan een half procent van de niet-gevaccineerde kinderen een auto-immuunziekte ontwikkelde, was dat bij de gevaccineerde kinderen zo ongeveer 7 procent – en volgens het Amerikaanse National Institutes of Health (NIH) lijdt momenteel bijna 25 procent van de Amerikanen aan een auto-immuunziekte (Deze getallen zullen in Europa niet veel anders zijn).

Andere gezondheidscategorieën waarin niet-gevaccineerde kinderen het beter deden dan gevaccineerde kinderen omvatten neurodermatitis, herpes, otitis media (middenoorontsteking), hooikoorts, hyperactiviteit, scoliose, epilepsie en toevallen, migraine en schildklieraandoeningen. De enige categorie waarin geen significant verschil tussen de beide groepen optrad was diabetes mellitus (suikerziekte), een aandoening die overigens bij slechts circa 0,2 procent van de kinderen jonger dan 20 jaar voorkomt.

De volledige Bachmair vaccinatie studie, compleet met details en grafieken kun je hier vinden.

Bron
naturalnews.com/

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Link tussen toxische stoffen in het milieu en arteriosclerose

Geplaatst op 11 oktober 2011

Giftige stoffen in het milieu, zoals dioxines, PCB’s en pesticiden, kunnen het risico op een cardiovasculaire aandoening (ziekten van hart en bloedvaten) vergroten. Dit is de eerste maal dat er een verband is aangetoond tussen arteriosclerose (aderverkalking) en de aanwezigheid van moeilijk afbreekbare toxische stoffen in het bloed. Het onderzoek werd uitgevoerd door wetenschappers van de universiteit van Uppsala in Zweden.

Cardiovasculaire aandoeningen, waaronder hartinfarcten en beroertes, zijn de belangrijkste doodsoorzaak in geïndustrialiseerde landen. De belangrijkste onderliggende oorzaak voor deze ziekten is arteriosclerose. Cholesterol en triglyceriden in het bloed, diabetes, roken en hoge bloeddruk worden als de belangrijkste risicofactoren hiervoor gezien.

Eerdere onderzoeken hebben aangetoond dat er mogelijk een verband bestaat tussen cardiovasculaire aandoeningen en hoge concentraties van biologisch moeilijk afbreekbare organische toxische stoffen in het bloed, zoals dioxines, PCB’s en pesticiden. Deze chemicaliën zijn oplosbaar in vet en kunnen zich daarom opstapelen in de wanden van bloedvaten. Een verband tussen de blootstelling aan deze stoffen en arteriosclerose werd echter nog niet eerder aangetoond.

In de huidige studie werd bij circa 1000 inwoners van Uppsala de concentraties van deze gifstoffen in het bloed bepaald. Tevens werd door middel van een echo de mate van arteriosclerose in de halsslagader gemeten.

De resultaten lieten een significant verband zien tussen stijgende concentraties van deze chemicaliën in het bloed en de ernst van de arteriosclerose, zelfs als de traditionele risicofactoren in ogenschouw werden genomen. Er bestonden ook duidelijke tekenen van vetophoping in de vaatwanden.

Het lijkt er op dat biologisch moeilijk of niet afbreekbare toxische stoffen die in het milieu circuleren de ontwikkeling van arteriosclerose bevorderen en daarmee het overlijden als gevolg van cardiovasculaire aandoeningen.

In de meeste ontwikkelde landen zijn deze stoffen tegenwoordig verboden, maar omdat zij moeilijk afbreekbaar zijn, komen ze nog op grote schaal in het milieu voor. Deze chemicaliën nemen we via onze voeding op en omdat ze in ons lichaam worden opgeslagen, worden de concentraties hoger naarmate we ouder worden.

Het onderzoeksteam gaat nu in proefmodellen bestuderen hoe deze stoffen de arteriosclerose beïnvloeden. Voorts worden de personen, die betrokken waren in de studie, verder volgen om te zien of er een direct verband bestaat tussen de blootstelling aan deze chemicaliën en het optreden van hartinfarcten en beroertes.

Bron
Eurekalert

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Snelle eters verdubbelen hun risico op diabetes

Geplaatst op 2 oktober 2011

Een nieuw onderzoek laat zien dat mensen die hun eten naar binnen schrokken een tweemaal zo grote kans hebben op de ontwikkeling van een Impaired Glucose tolerance (IGT), ook wel bekend onder de naam pré-diabetes.

Hierbij is er sprake van een insulineresistentie van de lichaamscellen, waardoor de pancreas (alvleesklier) steeds meer insuline moet produceren om voldoende glucose in de lichaamscellen te krijgen. Veelal is er bij IGT sprake van tijdelijk verhoogde bloedsuikers, maar nog niet genoeg om diabetes te veroorzaken. Als de insulineresistentie voortschrijdt, dan kan de pancreas het op den duur ook niet meer bolwerken, raakt uitgeput en de insulineproductie zal drastisch terugvallen. Als er voor die tijd geen maatregelen zijn genomen, dan treedt er in dit stadium dus diabetes type II op.

Bij andere eetpatronen, inclusief snacken en het eten laat in de avond, werd geen toename van het risico op suikerziekte gezien.

In het onderzoek werden andere factoren meegewogen, zoals gewicht, leeftijd, geslacht, voorkomen van diabetes in de familie, bloeddruk, cholesterolspiegel, roken en alcoholgebruik. Na correctie voor deze factoren bleek schransen het enige eetpatroon te zijn dat de kans op een IGT aanmerkelijk verhoogde.

Een verklaring voor deze bevinding zou kunnen zijn dat door de snelle consumptie van voedsel de glucosespiegel na het eten te snel stijgt.

Bron
medindia.net

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Orale corticosteroïden (prednison) gelinkt aan ernstig vitamine D tekort

Geplaatst op 29 september 2011

Mensen die orale corticosteroïden (prednison e.d.) gebruiken hebben een ruim tweemaal zo hoge kans op een ernstig vitamine D tekort. Dit is het resultaat een onderzoek, uitgevoerd bij meer dan 31.000 kinderen en volwassenen. Artsen wordt dan ook geadviseerd om de vitamine D spiegels bij patiënten, die dit soort medicatie gebruiken, goed in de gaten te houden. Bij laboratoriumtests zou een bepaling van het vitamine D gehalte bij deze categorie patiënten standaard moeten worden meegenomen.

Het ernstige vitamine D tekort dat werd gemeten in deze studie (gedefinieerd als waarden beneden de 10 nanogram per milliliter bloed) wordt geassocieerd met osteomalacie (botontkalking), rachitis en klinische myopathie (spierzwakte). Hoewel er nog de nodige controverse bestaat omtrent dit onderwerp, worden vitamine D gehalten tussen de 20 en 50 nanogram per milliliter bloed als adequaat gezien voor een goede gezondheid, zowel voor het beendergestel als in het algemeen. Het vitamine D tekort zou mogelijkerwijs veroorzaakt kunnen worden doordat corticosteroïden een bepaald enzym stimuleren, die op zijn beurt de vitamine D inactiveert.

Elf procent van van de gebruikers van orale corticosteroïden hadden een sterk verlaagde vitamine D spiegel, bij niet-steroïden gebruikers was dat 5 procent. Het risico was bijzonder groot bij corticosteroïden gebruikers onder de 18 jaar. Zij hadden een 14 maal zo grote kans op een ernstig vitamine D tekort als niet-steroïdengebruikers onder de 18 jaar.
(Personen, die corticosteroïden via een inhaler gebruikten, zijn in het onderzoek niet in de steroid-gebruikers groep ingedeeld).

Voorgaande kleinere studies bij patiënten, die vaak corticosteroïden krijgen voorgeschreven (bijvoorbeeld kinderen met astma, patienten met de ziekte van Crohn of lupus), hebben significant lagere vitamine D spiegels laten zien bij deze patiëntengroep. Dit onderzoek is gedaan onder een grote -landelijk (USA) representatieve – groep mensen om zo een betrouwbaar resultaat te verkrijgen.

Het onderzoek is uitgevoerd door wetenschappers van het Albert Einstein College of Medicine van de Yeshiva Universiteit, New York.

Bron
eurekalert.org

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Rokers kunnen snel deel dagelijks geheugen verliezen

Geplaatst op 23 september 2011

Een nieuwe studie laat zien dat tabaksgebruikers een verhoogd risico hebben op het kwijtraken van ongeveer een kwart van hun dagelijks geheugen, in vergelijking met niet-rokers.

In het onderzoek, uitgevoerd aan de Northumbria Universiteit van Newcastle in Schotland, werd tevens vastgesteld dat zij, die stopten met roken, hun vermogen om informatie te herinneren bijna op het peil wisten terug te brengen als dat van niet-rokers.

Het onderzoek werd uitgevoerd bij circa zeventig studenten tussen de 18 en 25 jaar oud. 27 van hen rookten, 18 waren voormalige rokers en 24 hadden nog nooit gerookt.De participanten kregen een lijst van 15 locaties op het universiteitsterrein, en daarnaast de opdracht om op iedere locatie een specifieke actie uit te voeren. Bij de bibliotheek bijvoorbeeld moesten zij er aan denken hun mobieltjes op ingekomen berichten te controleren; bij de sportschool moesten ze informeren naar de kosten van een lidmaatschap.

Gemiddeld voerden de rokers 8,9 taken goed uit, degenen die gestopt waren met roken 11 taken en zij die nog nooit gerookt hadden 12,1 taken. Er waren geen significante verschillen in IQ tussen de verschillende groepen.

Eerdere studies hebben laten zien dat het stoppen met roken het retrospectieve geheugen verbetert, dat is het vermogen om informatie in je op te nemen en die later te reproduceren. Deze studie daarentegen bekeek het prospectieve geheugen, dat het vermogen is om je te herinneren een bepaalde actie uit te voeren op een zeker moment in de toekomst. Het nemen van medicatie op een bepaalde tijd van de dag bijvoorbeeld vereist prospectief geheugen.

Resultaten van voorgaande studies naar het effect van roken op het prospectieve geheugen gaven geen eenduidig beeld te zien, in sommige studies kwamen rokers er slechter van af, terwijl andere geen verschil bemerkten.

Hoewel het nog onduidelijk is hoe roken het geheugen kan beinvloeden heeft onderzoek aangetoond dat chronisch tabaksgebruik gelinkt is aan een geleidelijke afbraak van bepaalde hersendelen.

De onderzoekers veronderstellen dat roken gebieden in de hersenen kunnen beschadigen, zoals de prefrontale cortex, de hippocampus of de thalamus. Al deze gebieden worden in beeldvormende technieken in verband gebracht het prospectieve geheugen volgens hen.

Bron
myhealthnewsdaily.com

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

Kauw jezelf slank

Geplaatst op 14 september 2011

Stel je voor dat je zou kunnen afvallen door simpelweg de wijze, waarop je eet, te veranderen, in plaats van wat je eet.

Een kleine, maar interessant studie in China onderzocht die vraagstelling door de effecten van kauwen op calorische inname en hormoonproductie na te gaan.

In deze studie werden de kauwgewoonten van 16 jonge mannen met een normaal gewicht en 14 jonge mannen met overgewicht bekeken.

Het bleek dat de groep met obesitas een lager aantal kauwbewegingen maakte per hap in vergelijking met de normaal gewicht groep. Beide groepen namen happen van vergelijkbare grootte,
maar de groep met overgewicht kauwden daar gemiddeld 15 maal op, de normaal gewicht groep 40 maal.

Het aantal kauwbewegingingen stond en een negatief verband met de hoeveelheid gegeten voedsel. De groep met gemiddeld 40 kauwbewegingen consumeerde bijna 12 procent minder voedsel dan de groep met gemiddeld 15 kauwbewegingen per hap voedsel. Hoe meer het voedsel gekauwd werd, hoe lager de postprandiale (na het eten) ghreline concentratie (ghreline is een hormoon dat de eetlust stimuleert). De postprandiale glucagon-achtige peptide 1 concentratie (dat aangeeft dat men verzadigd is) en de cholecystokinine concentratie (een hormoon dat de eetlust vermindert) werden daarentegen hoger.

Deze studie bevestigt de algemene overtuiging dat het goed kauwen van voedsel, dus langzamer en bewuster, resulteert in een verminderde calorie-inname. Toch blijven een aantal vragen onbeantwoord: zijn slankere mensen van nature geprogrammeerd om hun voedsel langer te kauwen? Kunnen mensen met overgewicht kilo’s kwijtraken door het veranderen van hun eetgewoonten en het goed en langdurig kauwen van hun voeding?

Bron
Healthiertalk.com

Jan Slemmer / Advance natuurgeneeskundige praktijk

« nieuwere berichteneerdere berichten »